FAQ BVD

Waarom is er BVD bestrijding nodig?

Bedrijfsgebonden dierziekten als BVD passen niet in de ambitie van een gezonde en duurzame veehouderij.

  • BVD tast het dierwelzijn aan.
  • Het BVD virus ondermijnt de algemene ziekteafweer. Infecties met BVD zorgen zo voor meer andere  infecties, dus meer ziekte en meer aantasting van welzijn. BVD zorgt daarmee ook voor verhoogd antibioticagebruik. Bestrijding van BVD is behalve voor de rundveehouders zelf daarom indirect ook van belang voor de volksgezondheid.
  • BVD belemmert de export en handel. Nederland is omringd door veel landen met nationale programma’s om BVD-vrij te worden. Veel landen zijn al vrij. Nederland heeft een slechte concurrentiepositie voor de handel in vee ten opzichte van vrije landen.
  • BVD veroorzaakt economische schade op bedrijven.

Wat zijn de voordelen van BVD-vrij zijn?

  • U verhoogt de gezondheidsstatus van uw bedrijf en hebt minder schade door BVD en weerstandsgerelateerde aandoeningen;
  • Een BVD-vrij status heeft meerwaarde bij verkoop van runderen en levert extra punten op bij de kwaliteitsprogramma’s van zuivelorganisaties.

Diagnose

Testen

Om BVD aan te tonen zijn er een aantal testmethoden.

Direct door het opsporen van het BVD virus of virale componenten:

  • antigeen ELISA op serum (vanaf 1 maand oud) of oorbiopten;
  • virus PCR op tankmelk en serum;
  • virus isolatie op serum en sperma;
  • genotypering PCR op serum, tankmelk en weefsel.

Indirect door het opsporen van de immuunrespons met het aantonen van antistoffen:

  • antistoffen ELISA op serum en tankmelk;
  • antistoffen ELISA titratie op serum.

Toepassing

Kalveren

Bij heel jonge kalveren wordt de waarschijnlijkheidsdiagnose soms al op basis van klinische verschijnselen gesteld. Met oorbiopten kunnen BVD-dragers wel vanaf de geboorte worden gediagnostiseerd, met zowel PCR als antigeen-ELISA.

Volwassen runderen

Een acute primaire infectie bij volwassen runderen wordt aangetoond met gepaard serologisch onderzoek met tenminste drie weken tussentijd. Dragers zijn opgespoord als er virus is aangetoond. Om een primaire infectie uit te sluiten kan het onderzoek na drie weken worden herhaald. Bij een primaire infectie wordt geen virus meer aangetoond; bij een drager wel.

Abortus

Bij abortus kan de diagnose worden gesteld met virologisch en serologisch onderzoek van de vrucht of van het moederdier. De uitslag van het bloedonderzoek van het moederdier wordt als volgt beoordeeld:

  • geen antistoffen aangetoond: sluit een BVD-infectie als oorzaak van het verwerpen meestal uit, een moederdier zonder BVD-antistoffen in het bloed kan wel BVD-virusdrager zijn;
  • Antistoffen aangetoond: dit is moeilijk te interpreteren aangezien het tijdstip van het ontstaan van de antistoffen lang niet altijd bekend is. Naarmate de prevalentie in Nederland afneemt is abortusdiagnostiek echter een goed instrument voor symptoomgerichte vroegdiagnostiek (zoals bij leptospirose, IBR en brucellose).

Gepaard serologisch onderzoek van het moederdier is meestal weinig zinvol, aangezien de infectie vaak al een tijd geleden heeft plaatsgevonden en het dier op het moment van verwerpen al antistoffen heeft ontwikkeld.

Verworpen vruchten

Van verworpen vruchten wordt de milt standaard onderzocht op BVD-virus met de antigeen-ELISA nadat de PCR-test het virus heeft aangetoond. Beoordeling van het virologisch onderzoek van de verworpen vrucht is als volgt:

  • virus aangetoond: duidt op een transplacentaire infectie;
  • geen virus aangetoond: BVD speelt geen rol, het kalf heeft antistoffen ontwikkeld bij een actieve infectie in de tweede helft van de dracht.

Kan je een BVD-virusdrager behandelen?

Nee. Een BVD-virusdrager heeft BVD-virus in het bloed en zal dit levenslang in grote hoeveelheden blijven uitscheiden en andere dieren besmetten. Omdat een drager het BVD-virus niet als ‘lichaamsvreemd’ ziet, heeft vaccineren van een BVD-virusdrager geen effect. Een BVD-virusdrager is de belangrijkste oorzaak voor het in stand houden van een BVD-besmetting op het bedrijf. Daarom is het verstandig dragers zo snel mogelijk van het bedrijf te verwijderen.

Wat is het verschil tussen een BVD-virusdrager en een dier met BVD-antistoffen?

Een BVD-virusdrager is een dier dat in de baarmoeder al is besmet. De besmetting heeft tijdens de eerste vier maanden van de dracht plaatsgevonden. Het kalf ziet het virus niet als lichaamsvreemd doordat het immuunsysteem nog niet volledig ontwikkeld is en zal daardoor geen antistoffen tegen BVD aanmaken. Het dragerkalf heeft BVD-virus in het bloed en zal dit levenslang blijven uitscheiden en andere dieren besmetten. Voer BVD-dragerkalveren daarom zo gauw mogelijk af.

Het merendeel van de BVD-virusdragers sterft binnen twee jaar na geboorte. Het zijn dan ook vaak kalveren die het minder goed doen. Sommige dragers ogen echter volkomen gezond en worden veel ouder, maar zijn net zo goed een levenslange, continue bron van het virus. Het belang om ook oudere BVD-virusdragers snel af te voeren is daarom net zo groot.

Een rund met antistoffen tegen BVD, na een infectie, bijvoorbeeld door een drager, heeft weerstand in de vorm van antistoffen opgebouwd. Een dier met BVD-antistoffen scheidt zelf geen virus meer uit en kan dus andere dieren niet besmetten. Dieren met BVD-antistoffen hoeven dan ook niet te worden afgevoerd.

Er zijn drie mogelijkheden waarom een rund BVD-antistoffen heeft:

  1. het rund is ooit in aanraking geweest met BVD-virus;
  2. het rund heeft antistoffen binnengekregen via de biest (maternale antistoffen), deze worden meestal gevonden bij dieren jonger dan acht maanden;
  3. door vaccinatie.

Hoe weet ik dat een drachtige koe bij aankoop geen BVD-virusdrager in zich draagt?

Als de koe tijdens het eerste deel van de dracht een BVD-infectie heeft doorgemaakt, dan kan het ongeboren kalf een BVD-virusdrager zijn. Bij bloedonderzoek van een dergelijke drachtige koe wordt (behalve tijdens de infectie) geen BVD-virus aangetoond. Wel zullen vanaf ongeveer drie weken na de infectie BVD-antistoffen worden gevonden. Advies is dus om bij aanvoer of aankoop van een drachtige koe deze te laten onderzoeken op de aanwezigheid van BVD-virus én BVD-antistoffen. Als er geen BVD-virus en geen BVD-antistoffen worden aangetoond, is de kans erg klein dat de koe in de cruciale fase van de dracht (0-120 dagen) met het BVD-virus in aanraking is gekomen. Deze koe draagt dus hoogstwaarschijnlijk geen dragerkalf. Mochten er wel antistoffen worden aangetoond bij de koe, dan is het zinvol om het kalf direct na de geboorte op BVD-virus te laten onderzoeken. Een andere mogelijkheid is om de koe nog voor het afkalven af te voeren.

Zorg ervoor dat u een koe vóór het aanvoeren laat testen op het herkomstbedrijf en een drachtig dier met BVD-antistoffen niet aanvoert.

Wat zeggen antistoffen in de tankmelk nou precies?

De moeder van een BVD-virusdrager kan zelf ook een BVD-virusdrager zijn. Ongeveer 10 procent van de moeders van BVD-virusdragers is zelf ook een BVD-virusdrager. Het is daarom van belang om, wanneer een kalf BVD-virusdrager blijkt te zijn, ook de moeder te onderzoeken. Als de moeder een BVD-virusdrager is, is het van belang die ook af te voeren. Zolang het dier aanwezig blijft zullen nieuwe dieren besmet worden.

Bij welke kalveren is het zinvol om BVD-virusonderzoek te doen?

Het is verstandig om alle kalveren te onderzoeken, maar afhankelijk van uw eigen bedrijfsstrategie kan het variëren van alle nieuwgeboren kalveren tot alleen de kalveren die u zelf voor eigen opfok wilt aanhouden.

Wat zeggen BVD-antistoffen in de tankmelk nou precies?

Als er antistoffen tegen het BVD-virus in een tankmelkmonster worden aangetoond, betekent dit dat gemiddeld meer dan een derde van de melkgevende dieren op het bedrijf een keer een BVD-besmetting heeft doorgemaakt. Het is ook mogelijk dat er met een levend BVD-vaccin is gevaccineerd.

Gaat tankmelkonderzoek op BVD-antistoffen samen met BVD-vaccinatie?

Dat hangt ervan af of de dieren met ‘dode’- of ‘levende’ entstof gevaccineerd worden. Een rund maakt na vaccinatie met levend vaccin antistoffen aan die niet te onderscheiden zijn van ‘echte’ BVD-antistoffen. Is er dus eenmaal gevaccineerd met levend vaccin, dan zal de tankmelktest vanaf dat moment BVD-antistoffen aantonen. Hierdoor is BVD-bewaking via tankmelkonderzoek niet meer mogelijk. Als met dode entstof wordt gevaccineerd is bewaking in de tankmelk vaak wel mogelijk.

Wanneer met levend vaccin wordt gevaccineerd kan bewaking op BVD-antistoffen in bloed bij het jongvee wel, mits hiervoor dieren worden geselecteerd die nog niet gevaccineerd zijn. Dit geldt ook voor bewaking op BVD-virus: het advies is bloed- en tankmelkmonsters voor onderzoek op virus te nemen vóór vaccinatie. Onderzoek naar het BVD-virus kan ook nog ná vaccinatie, mits er tussen het moment van vaccineren en het moment van monstername tenminste drie weken tijd zit. Dieren kunnen na vaccinatie namelijk gedurende in elk geval 14 dagen een viraemie ontwikkelen, waardoor in bloed of tankmelk BVD-vaccinvirus kan worden aangetoond dat met reguliere testen niet te onderscheiden is van BVD-veldvirus.

Onderzoek op BVD-virus via oorbiopten kan een goede manier van bewaking zijn op bedrijven waar men de dieren al op jonge leeftijd wil vaccineren.

Hoe kan het dat mijn bedrijf BVD-virusvrij is, maar ik toch BVD-antistoffen in mijn tankmelk heb?

Een rund dat een BVD-besmetting heeft doorgemaakt, houdt levenslang antistoffen tegen BVD. Het kan dus zo zijn dat er geen BVD-virus meer op uw bedrijf is, maar dat (oudere) runderen nog wel antistoffen tegen het BVD-virus bij zich hebben. Ook is het mogelijk dat er dieren zijn aangekocht die BVD-antistoffen hebben. Het kan echter ook zo zijn dat er wel een nieuwe BVD-infectie is binnengeslopen, maar er nog geen BVD-virusdragers zijn geboren.

Kan een geïnsemineerde pink met BVD-antistoffen in een koppel met een BVD-virusdrager een virusdrager ter wereld brengen?

Het gaat erom wannéér de pink antistoffen heeft ontwikkeld. Als dit vóór de inseminatie is gebeurd, dan heeft het dier de BVD-infectie vóór de inseminatie doorgemaakt en zijn er ten tijde van de risicovolle periode van de dracht voldoende antistoffen om de vrucht te beschermen.

De vraag is dus wanneer er is getest op BVD-antistoffen. Zijn de antistoffen vóór de inseminatie aangetoond, dan is duidelijk dat het virus al vóór de inseminatie op zijn retour was; gemiddeld ontstaan BVD-antistoffen tien tot veertien dagen na het binnenkomen van het BVD-virus. Vanaf dat moment wordt het BVD-virus opgeruimd.

Is in een later stadium getest op BVD-antistoffen, dan blijft onduidelijk wanneer het dier de infectie heeft doorgemaakt en of er op het moment van inseminatie (genoeg) antistoffen aanwezig waren.

Is vaccineren zinvol als het aantal BVD-vrije bedrijven toeneemt?

Vaccinatie geeft extra bescherming, al dan niet stoppen is afhankelijk van veel factoren zoals ligging bedrijf, aanvoer van runderen, bezoekers, etc. Desgewenst kan een risicoanalyse worden gemaakt met de dierenarts.

Kan ik bloedonderzoek op BVD-antistoffen bij het jongvee combineren met BVD-vaccinatie?

Met een oorbiopt kan sneller worden aangetoond of een pasgeboren kalf drager is van het BVD-virus. Het oorweefsel is namelijk direct na de geboorte geschikt voor onderzoek op BVD-virus. Bloedonderzoek kan pas na één maand worden uitgevoerd. De moeder geeft namelijk antistoffen tegen BVD door aan het kalf via de biest. Daardoor kan het BVD-virus tijdelijk niet aantoonbaar zijn in het bloed van een kalf dat toch virusdrager is. Oorweefsel is niet zo sterk doorbloed waardoor je op dat weefsel wel direct na de geboorte BVD-virusonderzoek kunt uitvoeren.

Daarnaast is er het gemak van monstername. Een oorbiopt kan tijdens het oormerken worden genomen, en dat moet sowieso gebeuren. Extra vangen na enige tijd is niet meer nodig.

Kan ik de oorbiopten nemen met behulp van een gewone tang?

Nee, hiervoor is een speciale tang nodig. Neem hiervoor contact op met uw leverancier.

Waarom is verankering nodig van BVD bestrijding in wet-en regelgeving gewenst?

Het voordeel van bestrijding van BVD is het grootst als we de ziekten echt kunnen uitroeien. Uitroeien van deze ziekten verloopt het meest effectief als alle rundveehouders daar aan meedoen. Private kwaliteitssystemen geven de mogelijkheid om extra maatregelen op te nemen naast bestaande wet- en regelgeving. Echter, deelname aan een privaat kwaliteitssysteem is geen verplichting. Om te realiseren dat elke rundveehouder in Nederland deelneemt aan het nationale bestrijdingsprogramma is regelgeving  van de overheid noodzakelijk.

Hoe ziet het huidige en toekomstige EU-beleid eruit?

Voor BVD-bestrijding is een wettelijk Europees kader nog niet beschikbaar. Met een groeiend aantal lidstaten dat BVD bestrijdt of daar al klaar mee is, is het wel reëel dat dat kader ter beschikking zal komen. In de komende jaren zal hier duidelijkheid over komen.

Ik heb twee melkveebedrijven zonder jongvee. Op beide locaties heb ik de onverdachtstatus. Moet ik nu elke keer als ik dieren tussen beide bedrijven uitwissel, aanvoeronderzoek doen?

Ja, dat is nodig. We begrijpen dat dit voor u een lastige situatie is. Als u veel onderlinge dierverplaatsingen doet kunt u eventueel gebruik maken van de 'Uitzonderingsregeling dierverplaatsingen BVD'. Hieraan zijn wel een aantal voorwaarden verbonden. De kosten bedragen per kwartaal per UBN 25 euro + 0,50 euro per aanwezige rund.

Ik houd geen jongvee aan en werk niet samen met een vaste jongveeopfokker. Daarbij zijn er BVD-antistoffen in mijn tankmelk aangetoond. Ik kan mijn bedrijf dus niet bewaken via tankmelkonderzoek of steekproefbloedonderzoek op BVD-antistoffen bij het jongvee. Moet ik nu alle kalveren gaan onderzoeken via oorbiopten?

Ja. Op uw bedrijf kunt u BVD alleen aanpakken door middel van oorbioptonderzoek bij alle kalveren, net zolang tot er in de tankmelk geen BVD-antistoffen meer worden aangetoond.
In de ons omringende landen vindt de BVD-aanpak alleen maar via oorbiopten plaats. In Nederland zijn er alternatieven bedacht omdat veel bedrijven al een gunstige BVD-gezondheidsstatus hadden. Dat niet iedereen gebruik kan maken van de alternatieven is jammer, maar onvermijdelijk.

NB:
- Bedrijven die wél in een Veterinaire Eenheid samenwerken met een vaste jongveeopfokker kunnen kiezen voor het programma BVD-vrij (route jongvee antistoffen). De BVD-status wordt dan bewaakt via halfjaarlijks steekproefbloedonderzoek op BVD-antistoffen bij het jongvee.
- Bedrijven waarbij géén BVD-antistoffen zijn aangetoond in de tankmelk kunnen kiezen voor tankmelkbewaking via het programma BVD-vrij (route tankmelk).

Ik heb recent gevaccineerd tegen BVD met ‘levend’ BVD-vaccin waardoor de tankmelktest BVD-antistoffen aantoont. Ook het jongvee is gevaccineerd, dus daar worden ook antistoffen aangetoond. Ik kan mijn bedrijf dus niet bewaken via tankmelkonderzoek of steekproefbloedonderzoek bij het jongvee. Moet ik nu alle kalveren gaan onderzoeken via oorbiopten?

Als u op het moment van het uitvoeren van het steekproefbloedonderzoek geen vijf ongevaccineerde dieren hebt tussen de 8-12 maanden leeftijd, kunt u voorlopig alleen maar kiezen voor oorbioptonderzoek. U kunt er echter wel voor zorgen dat u in de toekomst ongevaccineerd jongvee hebt door de dieren op een latere leeftijd te vaccineren. Dit ongevaccineerde jongvee kunt u gebruiken voor het steekproefbloedonderzoek op BVD-antistoffen. Tankmelkonderzoek zal de komende jaren nog niet mogelijk zijn bij het gebruik van levend BVD-vaccin.

Waarom is er geen BVD-programma dat is gebaseerd op vaccinatie?

De basis van iedere BVD-aanpak is het opsporen en verwijderen van dragers. Omdat vaccinatie geen effect heeft op al aanwezige dragers, is een BVD-programma dat uitsluitend op vaccinatie is gebaseerd niet voldoende. Daarnaast is het zo dat we goede vaccins op de markt hebben in Nederland, maar dat door allerlei redenen (individueel afweersysteem rund, administratiefouten etc.) geen enkel BVD-vaccin voor 100 procent bescherming biedt onder praktijkomstandigheden. Om te controleren of de BVD-aanpak op een bedrijf effectief is (opsporen en verwijderen van dragers + eventueel aanvullend vaccinatie) is het nodig om op ieder bedrijf de BVD-situatie te bewaken via onderzoek in één van de vier BVD-programma’s (routes).
Vaccinatie kan wel een goede aanvulling zijn op een BVD-programma. Let er hierbij wel op dat niet alle BVD-programma’s goed samengaan met alle BVD-vaccins. Een en ander is afhankelijk van het soort bewakingsonderzoek, het moment van onderzoeken en het type vaccin. Het is belangrijk om hierover te overleggen met uw dierenarts.

Waarom is het nuttig om alle doodgeboren kalveren en verworpen vruchten te onderzoeken op BVD-virus?

Verwerpen en doodgeboorte zijn belangrijke verschijnselen van BVD en kunnen dus wijzen op een BVD-infectie op een bedrijf. Via onderzoek op de verworpen vrucht of het doodgeboren kalf kan zo’n infectie heel vroeg worden opgespoord. En hoe eerder u een infectie oppikt, hoe meer u nog kunt doen om de schade te beperken.
Een infectie op een BVD-vrij bedrijf begint vaak klein, maar in een tweede golf kunnen opeens veel meer dragers ontstaan. Als u direct na het eerste signaal (de verworpen vrucht / het doodgeboren kalf) snel handelt, bijvoorbeeld door vaccinatie en hygiënemaatregelen in te zetten, kan grote schade worden voorkomen. De verworpen vrucht / het doodgeboren kalf is natuurlijk maar kort op het bedrijf, maar op het moment van afkalven kan via de vruchtvliezen BVD-virus worden verspreid, hierdoor is de kans reëel dat er meer dieren worden besmet. Of misschien lopen er al koeien rond die ook drachtig zijn van een drager.
Ook in het kader van de landelijke aanpak is het wenselijk dat bedrijven met een BVD-infectie snel worden geïdentificeerd. Zo wordt voorkomen dat deze bedrijven op papier ‘vrij’ blijven en ongemerkt andere bedrijven besmetten.