FAQ Landelijke aanpak BVD

Wat zijn de voordelen van BVD-vrij zijn?

  • U verhoogt de gezondheidsstatus van uw bedrijf en hebt minder schade door BVD en weerstandsgerelateerde aandoeningen;
  • Een BVD-vrij status heeft meerwaarde bij verkoop van runderen en levert ook na 2017 bij sommige zuivelondernemingen extra punten op in de kwaliteitsprogramma’s.

Waarom is er BVD bestrijding nodig?

Bedrijfsgebonden dierziekten als BVD passen niet in de ambitie van een gezonde en duurzame veehouderij.

  • BVD tast het dierwelzijn aan.
  • Het BVD virus ondermijnt de algemene ziekteafweer. Infecties met BVD zorgen zo voor meer andere infecties, dus meer ziekte en meer aantasting van welzijn. BVD kan daarmee ook voor verhoogd antibioticagebruik zorgen. Bestrijding van BVD is behalve voor de rundveehouders zelf daarom indirect ook van belang voor de volksgezondheid.
  • BVD belemmert de export en handel. Nederland is omringd door veel landen met nationale programma’s om BVD-vrij te worden. Veel landen zijn al vrij. Nederland heeft een slechte concurrentiepositie voor de handel in vee ten opzichte van vrije landen.
  • BVD veroorzaakt economische schade op bedrijven.

Welke partijen begeleiden de landelijke aanpak van BVD?

Een stuurgroep bereidt besluiten over de bestrijding van BVD voor. De stuurgroep bestaat uit vertegenwoordigers van:

  • ZuivelNL
  • LTO-melkveehouderij
  • LTO-vleesveehouderij
  • de Nederlandse Zuivelorganisatie (NZO)
  • Stichting Brancheorganisatie Kalversector (SBK)
  • het ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV)

De stuurgroep wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van het bedrijfsleven.

Besluiten over de aanpak van BVD worden genomen in de Themagroep Diergezondheid Rund (DKR) (zie aanpak van BVD) die is ingericht om sectorbreed beleid op het vlak van diergezondheid inhoud te geven. DKR volgt daarbij de bestrijdingsaanpak zoals die is vastgesteld in de stuurgroep.

Hoe wordt de bestrijding van BVD gereguleerd?

Zuivelondernemingen aangesloten bij de NZO zetten de leveringsvoorwaarden in om met ingang van 1 april 2018 de bestrijding van BVD te reguleren voor hun leden/leveranciers volgens de bestrijdingsaanpak zoals die is vastgesteld in de stuurgroep.

Twee jaar na de start van de bestrijding regelt SBK via de voorwaarden van het kwaliteitssysteem Vitaal Kalf dat vleeskalverbedrijven geen BVD-dragers meer aanvoeren of aanhouden. Dit zal ook gelden voor importkalveren uit hoog-risico gebieden.

De vleesveehouderij beschikt niet over een kwaliteitssysteem met een sectorbrede werking. Middels communicatie en stimuleringsmaatregelen zullen vleesveehouders wél actief betrokken worden bij de aanpak.

Hoe ziet het huidige en toekomstige EU-beleid eruit?

Voor BVD-bestrijding is een wettelijk Europees kader nog niet beschikbaar. Wel bespreekt de Europese Commissie in 2018 voor welke dierziekten in de toekomst Europese regelgeving zal gelden. BVD is daarbij ook onderwerp van gesprek.

Waarom wordt de bestrijding van BVD nu niet voor alle bedrijven verplicht?

Daarvoor is regelgeving van de overheid nodig. De toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken heeft aangegeven nu nog geen verantwoordelijkheid te willen nemen, maar sluit niet uit dat in de toekomst wel te willen. In een brief aan de Tweede Kamer schreef de staatssecretaris hierover het volgende: “BVD kent op dit moment geen EU-regulering. Daarmee is het niet mogelijk een officiële EU-status te verkrijgen voor BVD. Daarbij ben ik van mening dat de achterliggende doelstellingen, namelijk een hogere diergezondheid en vermindering van het gebruik van antibiotica in met name de vleeskalverhouderij, ook met een private bestrijding haalbaar zijn. Ik heb daarom besloten nu geen ondersteunende regelgeving op te stellen voor de bestrijding van BVD.”  

De voormalig staatssecretaris sluit niet uit dat er toch regelgeving komt die aanpak van BVD voor alle bedrijven verplicht stelt. In dezelfde brief schrijft de staatssecretaris namelijk: “In Europa wordt momenteel gewerkt aan herziening van de dierziektewetgeving. In 2017 en 2018 wordt bepaald welke dierziekten op EU-niveau gereguleerd zullen worden. Ook BVD wordt in dit kader beoordeeld. Ik heb de sector toegezegd om te zijner tijd te onderzoeken of de uitkomsten van deze beoordeling en de Europese besluitvorming daarover aanleiding geven de bestrijding van BVD alsnog met regelgeving te ondersteunen."

Is het wel verstandig te starten met de BVD-aanpak in de melkveehouderij als niet meteen ook verplichtingen gaan gelden voor de vleesvee sector?

De meeste bedrijven in de melkveehouderij zijn al vrij van het BVD virus. Het is belangrijk om de infectiedruk zo snel mogelijk te verlagen, om de kans op herinfecties omlaag te brengen. Omdat 95 procent van de kalveren en dus mogelijke BVD dragers, in Nederland in de melkveehouderij worden geboren, ligt het voor de hand dat de melkveehouderij het voortouw neemt.  Door aanpak van BVD in de melkveehouderij zal de kans op herinfectie in één tot twee jaar enorm worden gereduceerd.

Het risico van BVD-besmettingen  vanuit de vleeskalverhouderij naar melkvee- en vleesvee bedrijven is nu al heel klein. Dat komt doordat de vleeskalveren binnen worden gehuisvest, doorgaans apart worden verzorgd en alleen worden afgevoerd naar de slacht. Bovendien is 80% van de geïmporteerde vleeskalveren afkomstig uit landen die vrij of bijna vrij zijn van BVD. Als na ongeveer 2 jaar via Vitaal Kalf wordt geregeld dat BVD-dragers niet worden aangevoerd of aangehouden in de kalverhouderij, wordt het risico verwaarloosbaar.

Vleesveehouders zullen naar verwachting meer gaan deelnemen doordat marktwerking ontstaat en door  gerichte stimulering en communicatie.

Als de BVD-aanpak in de vleesveesector vrijwillig blijft, dan blijf ik als melkveehouder een risico houden om een nieuwe besmetting op te lopen. Is het rendement zonder uitzicht op uitroeiing dan nog voldoende?

Bestrijding van BVD rendeert altijd. Het loont voor elk bedrijf om BVD ‘buiten de deur te houden’ omdat een BVD-besmetting op het bedrijf tienduizenden euro’s aan schade en kosten met zich mee kan brengen. De kans om een nieuwe infectie op te lopen zal inderdaad nog sneller dalen als alle bedrijven zouden meedoen. Door in de melkveehouderij te starten met een verplichte aanpak wordt die kans echter al wel enorm verlaagd omdat hier veruit de meest kalveren en dus BVD dragers worden geboren.

Waarom zijn er vier routes om naar een BVD-vrijstatus toe te werken?

Een belangrijke reden om meerdere routes mogelijk te maken is dat daarmee veel kosten bespaard worden. In onze buurlanden is gekozen voor één route, namelijk alle geboren kalveren te laten onderzoeken op dragerschap en dragers afvoeren. Als er reden is om de aanwezigheid of de komst van een drager te vermoeden, dan is de aanpak als in de buurlanden (hier: BVD-vrij (route oorbiopten)) één van de mogelijkheden om de dragers op te sporen. Het is dan wel nodig om ook de moeders van dragers te onderzoeken op dragerschap. Via deze route duurt het lang (minimaal 34 maanden) voordat we een bedrijf vrij verklaren. Een snellere route voor deze bedrijven is alle op het bedrijf aanwezige dragers op te sporen door alle dieren op het bedrijf te onderzoeken op virus en vervolgens minimaal 10 maanden lang alle geboren kalveren te onderzoeken (BVD-vrij (route intake virus, bewaking antistoffen)).

In Nederland zijn al veel bedrijven vrij of deelnemer aan het Tankmelk Onverdacht programma. Op bedrijven die al vrij zijn, maar ook op bedrijven waar het jongvee geen antistoffen heeft of waar er geen antistoffen in de tankmelk zijn, is de kans op het vinden van een drager klein. Deze bedrijven kunnen volstaan met het bewaken van de status via tankmelkonderzoek op antistoffen (BVD-vrij (route tankmelk)) of onderzoek van jongvee op antistoffen (BVD-vrij (route jongvee antistoffen)). Alleen als op deze bedrijven een ongunstig resultaat wordt gevonden, is het nodig eventueel aanwezige dragers op te sporen en moet een van de andere routes gevolgd worden.

Waar kan ik terecht voor het verkrijgen en onderhouden van de BVD-status?

De sectorpartijen hebben GD (Gezondheidsdienst voor Dieren) gevraagd bedrijfsstatussen te beheren. Wie wil deelnemen aan de bestrijding kan zich daarvoor aanmelden bij GD. Wie al deelnemer is aan een van de programma’s van GD, zal door GD geïnformeerd worden over de overstap naar de landelijke bestrijding. Op verzoek van de sectorpartijen beheert ZuivelNL de voorwaarden op grond waar van bedrijven een status toegekend krijgen.

Kan ik van elk willekeurig laboratorium gebruikmaken?

Nee. Het is belangrijk dat de kwaliteit van de laboratoriumuitslagen hoog is en dat verschillende laboratoria vergelijkbare uitslagen leveren. Op verzoek van de sectorpartijen laat ZuivelNL laboratoria toe. ZuivelNL baseert zich op een beoordeling door Wageningen Bioveterinary Research (WBVR, het nationaal referentielaboratorium), dat hier een protocol voor heeft ontwikkeld. Alleen uitslagen van laboratoria die zijn toegelaten door ZuivelNL kunnen worden gebruikt voor het verkrijgen en behouden van de bedrijfsstatus. ZuivelNL publiceert de eerste versie van de lijst met toegelaten laboratoria in februari 2018.

Wat is de rol van de dierenartsen in de bestrijding van BVD?

Rundveehouders maken gebruik van geborgde dierenartsen. Dierenartsen beschikken over de kennis van BVD en van de mogelijkheden om BVD te bestrijden, zodat ze veehouders kunnen bijstaan om de aanpak te kiezen die het beste bij het bedrijf past. Behalve deze belangrijke rol als adviseur is het nemen van bloedmonsters voorbehouden aan dierenartsen.

Hoeveel kost het om BVD-vrij te worden en die status te bewaken?

Kosten van de bestrijding van BVD zijn afhankelijk van:

  • de bedrijfsgrootte;
  • de route naar BVD-vrij die wordt gevolgd;
  • de gekozen dienstverlener als er meerdere zijn (dierenartsen en laboratoria).

Onderstaande bedragen geven een orde van grootte aan van de optelsom van kosten, waarbij is uitgegaan van een melkveebedrijf met 95 melkkoeien en 65 stuks jongvee.

  • De snelste route (1 jaar) om vrij te worden is de route ‘intake virus, bewaking jongvee antistoffen’. Kosten voor het intake gedeelte bestaan uit kosten voor monstername en diagnostiek van de te onderzoeken dieren: eenmalig €1600,-., afhankelijk van de bedrijfsgrootte. Als de gebruikte tankmelk test op virus een ongunstige uitslag oplevert, komt hier nog circa €900,- bij. Het bedrijf heeft ook kosten voor het beheer van de status en voor het halfjaarlijks steekproef onderzoek: circa €325,- per jaar.
  • Een minder snelle route (2 jaar) om BVD-vrij te worden verloopt via de route ‘jongvee antistoffen’. Jaarlijkse kosten voor statusbeheer en steekproef bloedonderzoek bedragen circa €325,-. Als dit goed verloopt zijn er geen extra eenmalige kosten.
  • Een andere minder snelle route (2 jaar) om BVD-vrij te worden verloopt via de route ‘tankmelk’. Jaarlijkse kosten bestaan uit kosten voor het beheer van de status en tankmelkonderzoek: circa €125,- per jaar. Als dit goed verloopt zijn er geen extra eenmalige kosten.
  • Via de route ‘oorbiopten’ is de meeste tijd nodig om BVD vrij te worden: 34 maanden minimaal. Kosten voor deze route bestaan uit kosten voor diagnostiek op oorbiopten van alle geboren kalveren en het beheer van de status:  circa €1050,- per jaar, afhankelijk van de bedrijfsgrootte.

Bovenstaande kosten gelden als de route succesvol wordt doorlopen. Kosten voor bijvoorbeeld het testen van aangevoerde dieren van een lagere status en voor het testen van moeders van dragers (indien aan de orde) variëren per bedrijf en zijn buiten beschouwing gelaten.

Waarom is het nodig alle geboren kalveren te testen als naar dragers wordt gezocht?

In de routes oorbiopten en intake virus, bewaking jongvee antistoffen wordt door het testen van kalveren gezocht naar dragers. Als alleen aangehouden kalveren zouden worden onderzocht, wordt meer dan de helft van de dragers gemist. Hoewel die maar kort op het bedrijf zijn, is er toch veel kans dat ze een nieuwe infectie veroorzaken, met mogelijk later weer nieuwe dragers tot gevolg. In de route oorbiopten moet bovendien de moeder van een drager worden onderzocht, omdat die zelf ook drager kan zijn. Als alleen aangehouden kalveren worden onderzocht, wordt meer dan de helft van de dragerkalveren en dus ook van de moeders die drager zijn, gemist. Hierdoor blijft het virus op het bedrijf aanwezig, waardoor het langer duurt vrij te worden.

Waarom is het nuttig om alle doodgeboren kalveren en verworpen vruchten te onderzoeken op BVD-virus?

Verwerpen en doodgeboorte zijn belangrijke verschijnselen van BVD en kunnen dus wijzen op een BVD-infectie op een bedrijf. Via onderzoek op de verworpen vrucht of het doodgeboren kalf kan zo’n infectie heel vroeg worden opgespoord. En hoe eerder u een infectie oppikt, hoe meer u nog kunt doen om de schade te beperken.

Een infectie op een BVD-vrij bedrijf begint vaak klein, maar in een tweede golf kunnen opeens veel meer dragers ontstaan. Als u direct na het eerste signaal (de verworpen vrucht/het doodgeboren kalf) snel handelt, bijvoorbeeld door vaccinatie en hygiënemaatregelen in te zetten, kan grote schade worden voorkomen. De verworpen vrucht/het doodgeboren kalf is natuurlijk maar kort op het bedrijf, maar op het moment van afkalven kan via de vruchtvliezen BVD-virus worden verspreid, hierdoor is de kans reëel dat er meer dieren worden besmet. Of misschien lopen er al koeien rond die ook drachtig zijn van een drager.

Ook in het kader van de landelijke aanpak is het wenselijk dat bedrijven met een BVD-infectie snel worden geïdentificeerd. Zo wordt voorkomen dat deze bedrijven op papier ‘vrij’ blijven en ongemerkt andere bedrijven besmetten.

Waarom is het nodig de moeder van een drager ook te testen op dragerschap?

Ongeveer 10 procent van de moeders van BVD-dragers is zelf ook een BVD-drager. Het is daarom van belang om, wanneer een kalf BVD-drager blijkt te zijn, ook de moeder te onderzoeken. Als de moeder een BVD-virusdrager is, is het van belang haar ook af te voeren. Zolang het dier aanwezig blijft zullen nieuwe dieren besmet worden en duurt het langer om vrij te worden.

Waarom is het nodig een vrouwelijk dier ouder dan 1 jaar afkomstig van een niet vrij bedrijf te testen op antistoffen?

Bij deze vereiste is er van uit gegaan dat een vrouwelijk dier ouder dan 1 jaar drachtig kan zijn. Als een rund tijdens het eerste deel van de dracht een BVD-infectie heeft doorgemaakt, dan kan het ongeboren kalf een BVD-drager zijn. Bij bloedonderzoek van een dergelijke drachtig rund wordt (behalve tijdens de infectie) geen BVD-virus aangetoond. Wel zullen vanaf ongeveer drie weken na de infectie BVD-antistoffen worden gevonden. Daarom is het nodig om bij aanvoer of aankoop van een drachtig rund van een niet-vrij bedrijf dit te laten onderzoeken op de aanwezigheid van BVD-virus én BVD-antistoffen. Als er geen BVD-virus en geen BVD-antistoffen worden aangetoond, is de kans erg klein dat de koe in de cruciale fase van de dracht (0-120 dagen) met het BVD-virus in aanraking is gekomen. Deze koe draagt dus hoogstwaarschijnlijk geen dragerkalf. Mochten er wel antistoffen worden aangetoond bij de koe, dan is het nodig om het kalf direct na de geboorte op BVD-virus te laten onderzoeken. Een andere mogelijkheid is om de koe nog voor het afkalven af te voeren.

Waarom is er geen BVD-programma dat is gebaseerd op vaccinatie?

De basis van iedere BVD-aanpak is het opsporen en verwijderen van dragers. Omdat vaccinatie geen effect heeft op al aanwezige dragers, is een BVD-programma dat uitsluitend op vaccinatie is gebaseerd niet voldoende. Daarnaast is het zo dat we goede vaccins op de markt hebben in Nederland, maar dat door allerlei redenen (individueel afweersysteem rund, administratiefouten etc.) geen enkel BVD-vaccin voor 100 procent bescherming biedt onder praktijkomstandigheden. Om te controleren of de BVD-aanpak op een bedrijf effectief is (opsporen en verwijderen van dragers + eventueel aanvullend vaccinatie) is het nodig om op ieder bedrijf de BVD-situatie te bewaken via onderzoek in één van de vier BVD-programma’s (routes).
Vaccinatie kan wel een goede aanvulling zijn op een BVD-programma. Let er hierbij wel op dat niet alle BVD-programma’s goed samengaan met alle BVD-vaccins. Een en ander is afhankelijk van het soort bewakingsonderzoek, het moment van onderzoeken en het type vaccin. Het is belangrijk om hierover te overleggen met uw dierenarts.

Waarom maakt vaccineren geen onderdeel uit van de aanpak?

De kern van BVD bestrijding is het opsporen en verwijderen van BVD-dragers. Vaccinatie helpt niet om de virusuitscheiding door BVD-dragers te verlagen. Wel biedt vaccinatie bescherming tegen klinische verschijnselen en tegen het ontstaan van dragers.

Vaccinatie wordt niet verplicht, omdat het een dure maatregel is en het ook zonder vaccinatie mogelijk is om als land vrij te worden van BVD, getuige de resultaten in andere landen. De veehouder moet daarom zelf beslissen over het toepassen van vaccinatie op het bedrijf. Dat is een persoonlijke keuze, waarbij de kans op insleep van virus, het gewenste gevoel van zekerheid om schade te voorkomen en de kosten van vaccinatie de belangrijkste overwegingen zijn.

Ik heb twee melkveebedrijven. Op beide locaties heb ik de onverdachtstatus. Moet ik nu elke keer als ik dieren tussen beide bedrijven uitwissel, aanvoeronderzoek doen?

Ja, dat is nodig. We begrijpen dat dit voor u een lastige situatie is. Als u veel onderlinge dierverplaatsingen doet kunt u eventueel gebruik maken van de Uitzonderingsregeling dierverplaatsingen BVD. Hieraan zijn wel een aantal voorwaarden verbonden. De kosten bedragen per kwartaal per UBN 25 euro + 0,50 euro per aanwezige rund. Klik hier voor het aanmeldformulier en de voorwaarden.

Ik houd geen jongvee aan en werk niet samen met een vaste jongveeopfokker. Daarbij zijn er BVD-antistoffen in mijn tankmelk aangetoond. Ik kan mijn bedrijf dus niet bewaken via tankmelkonderzoek of steekproefbloedonderzoek op BVD-antistoffen bij het jongvee. Moet ik nu alle kalveren gaan onderzoeken via oorbiopten?

Ja. Op uw bedrijf kunt u BVD alleen aanpakken door middel van oorbioptonderzoek bij alle kalveren, net zolang tot er in de tankmelk geen BVD-antistoffen meer worden aangetoond.
In de ons omringende landen vindt de BVD-aanpak alleen maar via oorbiopten plaats. In Nederland zijn er alternatieven bedacht omdat veel bedrijven al een gunstige BVD-gezondheidsstatus hadden. Dat niet iedereen gebruik kan maken van de alternatieven is jammer, maar onvermijdelijk.

NB:
- Bedrijven die wél in een Veterinaire Eenheid samenwerken met een vaste jongveeopfokker kunnen kiezen voor het programma BVD-vrij (route jongvee antistoffen). De BVD-status wordt dan bewaakt via halfjaarlijks steekproefbloedonderzoek op BVD-antistoffen bij het jongvee.
- Bedrijven waarbij géén BVD-antistoffen zijn aangetoond in de tankmelk kunnen kiezen voor tankmelkbewaking via het programma BVD-vrij (route tankmelk).

Ik heb recent gevaccineerd tegen BVD met ‘levend’ BVD-vaccin waardoor de tankmelktest BVD-antistoffen aantoont. Ook het jongvee is gevaccineerd, dus daar worden ook antistoffen aangetoond. Ik kan mijn bedrijf dus niet bewaken via tankmelkonderzoek of steekproefbloedonderzoek bij het jongvee. Moet ik nu alle kalveren gaan onderzoeken via oorbiopten?

Als u op het moment van het uitvoeren van het steekproefbloedonderzoek geen vijf ongevaccineerde dieren hebt tussen de 8-12 maanden leeftijd, kunt u voorlopig alleen maar kiezen voor oorbioptonderzoek. U kunt er echter wel voor zorgen dat u in de toekomst ongevaccineerd jongvee hebt door de dieren op een latere leeftijd te vaccineren. Dit ongevaccineerde jongvee kunt u gebruiken voor het steekproefbloedonderzoek op BVD-antistoffen. Tankmelkonderzoek zal de komende jaren nog niet mogelijk zijn bij het gebruik van levend BVD-vaccin.