FAQ Landelijke aanpak IBR

Wat zijn de voordelen van IBR-vrij zijn?

  • U verhoogt de gezondheidsstatus van uw bedrijf, hebt minder schade door IBR en bijna geen kans meer op een IBR-uitbraak (< 1%);
  • Een IBR-vrij status geeft u betere afzetmogelijkheden van uw vee en levert ook in 2018 bij sommige zuivelondernemingen nog extra punten op binnen de kwaliteitsprogramma’s. Ook kunt u makkelijker deelnemen aan IBR-veilige keuringen.

Waarom is IBR bestrijding nodig?

Bedrijfsgebonden dierziekten als IBR passen niet in de ambitie van een gezonde en duurzame veehouderij.

  • IBR tast het dierwelzijn aan.
  • IBR belemmert de export en handel. Nederland is omringd door veel landen met nationale programma’s om IBR-vrij te worden. Veel landen zijn al vrij. Nederland heeft een slechte concurrentiepositie voor de handel in vee ten opzichte van vrije landen.
  • IBR veroorzaakt economische schade op bedrijven.

Welke partijen begeleiden de landelijke IBR-aanpak?

Een stuurgroep bereidt besluiten over de bestrijding van IBR voor. De stuurgroep bestaat uit vertegenwoordigers van:

  • het ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV)
  • de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA)
  • ZuivelNL
  • LTO-melkveehouderij
  • LTO-vleesveehouderij
  • de Nederlandse Zuivelorganisatie (NZO)
  • Stichting Brancheorganisatie Kalversector (SBK)

De stuurgroep wordt geleid door een vertegenwoordiger van LNV en adviseert de minister van LNV bij het opstellen van de overheidsregelgeving. De minister van LNV besluit uiteindelijk over de bestrijding van IBR.

Besluiten over de aanpak van IBR tot de inwerkingtreding van de overheidsregelgeving worden genomen in de Themagroep Diergezondheid Rund (DKR) die is ingericht om sectorbreed beleid op het vlak van diergezondheid inhoud te geven. DKR volgt daarbij de adviezen van de stuurgroep.

Hoe wordt de IBR-bestrijding gereguleerd?

Samen met de andere betrokken partijen geeft het ministerie van LNV invulling aan een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). De minister van LNV regelt daarmee vanaf het moment van inwerkingtreding de bestrijding van IBR voor alle bedrijven met rundvee. De door de stuurgroep vastgestelde bestrijdingsaanpak is daarvoor uitgangspunt. Naar verwachting gaat de AMvB in op 1 januari 2019.

Zuivelondernemingen aangesloten bij de NZO zetten de leveringsvoorwaarden in om met ingang van 1 april 2018 de bestrijding van IBR te reguleren voor hun leden/leveranciers conform dezelfde bestrijdingsaanpak.

Waarom wordt met de IBR-aanpak op melkveebedrijven niet gewacht op de inwerkingtreding van de regelgeving van de overheid?

Na het stimuleren van de afgelopen 3 jaar is het grootste deel van de melkveebedrijven IBR-vrij of IBR-onverdacht. Om de kans op een herinfectie  zo klein mogelijk te maken, is het gewenst de infectiedruk zo snel mogelijk verder te verlagen. De melkveehouderij heeft een hoger percentage besmette bedrijven dan de vleesveehouderij (15,6% respectievelijk 9,6% volgens de laatste meting in 2015). In dieraantallen is de melkveehouderij ook veruit de grootste sector. Door de aanpak in de melkveehouderij wordt de kans op herinfectie voor alle bedrijven aanzienlijk gereduceerd. Het risico op verspreiding van IBR vanuit de kalversector is erg klein: de besmettingsgraad is daar erg laag. Bovendien worden vleeskalveren binnen gehuisvest, doorgaans apart verzorgd en alleen afgevoerd naar de slacht. Tenslotte is ruim 80 procent van de geïmporteerde vleeskalveren afkomstig uit landen die vrij of bijna vrij zijn van IBR.

Hoe groot is de kans dat de voorwaarden om IBR-vrij of IBR-onverdacht te worden en te blijven volgens de overheidsregelgeving, anders worden dan de voorwaarden van de zuivelondernemingen?

In de stuurgroep zijn de voorwaarden voor vrije en onverdachte bedrijven al vastgesteld. Ze zijn gebaseerd op een degelijke wetenschappelijk onderbouwing door deskundigen van Wageningen Universiteit & Research.

Waar kan ik terecht voor het verkrijgen en onderhouden van de IBR-status?

De sectorpartijen hebben GD (Gezondheidsdienst voor Dieren) gevraagd bedrijfsstatussen te beheren. Wie wil deelnemen aan de bestrijding kan zich daarvoor aanmelden bij GD. Wie al deelnemer is aan een van de programma’s van GD, zal door GD geïnformeerd worden over de overstap naar de landelijke bestrijding. Op verzoek van de sectorpartijen beheert ZuivelNL de voorwaarden op grond waarvan bedrijven een status toegekend krijgen.

Kan ik van elk willekeurig  laboratorium gebruikmaken?

Nee. Het is belangrijk dat de kwaliteit van de laboratoriumuitslagen hoog is en dat verschillende laboratoria vergelijkbare uitslagen leveren. Op verzoek van de sectorpartijen laat ZuivelNL laboratoria toe. ZuivelNL baseert zich op een beoordeling door Wageningen Bioveterinary Research (WBVR, het nationaal referentielaboratorium), dat hier een protocol voor heeft ontwikkeld. Alleen uitslagen van laboratoria die zijn toegelaten door ZuivelNL kunnen worden gebruikt voor het verkrijgen en behouden van de bedrijfsstatus. ZuivelNL publiceert de eerste versie van de lijst met toegelaten laboratoria in februari 2018. Nadat de overheidsregelgeving in werking is getreden (naar verwachting 1 januari 2019), zal de NVWA laboratoria erkennen en publiceren welke laboratoria een erkenning hebben.

Wat is de rol van de dierenartsen in de bestrijding van IBR?

Rundveehouders maken gebruik van geborgde dierenartsen. Dierenartsen beschikken over de kennis van IBR en van de mogelijkheden om IBR te bestrijden, zodat ze veehouders kunnen bijstaan om de aanpak te kiezen die het beste bij het bedrijf past. Behalve deze belangrijke rol als adviseur is het nemen van bloedmonsters en het vaccineren voorbehouden aan dierenartsen.

Hoeveel kost het om IBR-vrij te worden en die status te bewaken?

Kosten van de bestrijding van IBR zijn afhankelijk van:

  • de bedrijfsgrootte (bij eenmalige kosten en vaccineren);
  • de route naar IBR-vrij die wordt gevolgd;
  • de gekozen aanbieder, als er meerdere zijn (dierenartsen en laboratoria).

Onderstaande bedragen geven een orde van grootte aan van de optelsom van kosten, waarbij is uitgegaan van een melkveebedrijf met 95 melkkoeien en 65 stuks jongvee.

  • De snelste route om vrij te worden is de route ‘intake bloed, bewaking tankmelk’. Kosten voor het intake gedeelte bestaan uit kosten voor monstername en diagnostiek van de te onderzoeken dieren: eenmalig €1350,-.  Het bedrijf heeft ook kosten voor het beheer van de status en voor het maandelijks tankmelkonderzoek. Deze kosten bedragen circa €250,- per jaar.

  • Een minder snelle route om IBR-vrij te worden verloopt via de route ‘tankmelk’. Jaarlijkse kosten bestaan uit kosten voor het beheer van de status en tankmelkonderzoek: circa €250,- per jaar. Als het bedrijf de stap naar IBR-vrij maakt (dit kan na 2 jaar) komen daar de kosten voor monstername en diagnostiek voor dieren ouder dan 6 jaar bij: eenmalig circa €225,- .

  • Vaccinerende bedrijven hebben vaccinatiekosten en kosten voor registratie en beheer van de status. De orde van grootte van deze kosten is circa €2100,- per jaar.

Kosten voor het testen van aangevoerde dieren van een lagere status en eventuele afvoer van besmette runderen variëren per bedrijf en zijn niet opgenomen in de genoemde bedragen.

Hoe lang gaat de bestrijding van IBR duren?

Voor heel Nederland is een termijn van ongeveer 8 jaar reëel. Om vrij te worden van IBR is het nodig alle dieren die ooit een infectie doorgemaakt hebben, af te voeren. Afvoeren van deze dieren wordt niet verplicht. De veehouder bepaalt dus zelf wanneer de dieren worden afgevoerd. Bedrijven die recent een infectie hebben gehad en waar geïnfecteerde dieren volgens natuurlijk verloop worden afgevoerd, hebben nog vele jaren geïnfecteerde dieren in de koppel.

Vormt het weiden in natuurgebieden ook een risico voor de insleep van IBR?

Het is altijd belangrijk om contact met besmette dieren te voorkomen. Het weiden in natuurgebieden is wat dit betreft niet anders dan inscharen bij een regulier bedrijf. Meerdere koppels natuurgrazers in Nederland zijn overigens al vele jaren IBR-vrij. Het ministerie van LNV werkt aan regelgeving voor de bestrijding van IBR. Deze zal gelden voor alle bedrijven met gehouden runderen.

Waarom wordt vaccinatie tegen IBR verplicht?

Vaccinatie op besmette bedrijven zou niet nodig zijn als alle besmette dieren worden afgevoerd. Dat zou echter een veel te zware maatregel zijn. De enige manier om vrij te worden is de bedrijven waar nog besmette dieren zijn te vaccineren tot het laatste besmette dier is afgevoerd. Hierbij kan het natuurlijk verloop worden gevolgd, maar versneld afvoeren kan wel. Het vaccineren heeft tot doel de transmissie van IBR in de koppel sterk te reduceren en samen met aanvullende maatregelen het resultaat van de landelijke aanpak te behalen: uitroeiing van IBR.

Vaccinerende bedrijven moeten elk half jaar een vaccinatie hebben toegepast op alle volgens bijsluiter van de fabrikant daarvoor in aanmerking komende dieren. Voor sommige vaccins schrijft de bijsluiter ook een tweede vaccinatie na enkele weken voor bij dieren die voor het eerst worden gevaccineerd. Is het dan niet nodig om die uit te voeren?

Het voorgeschreven halfjaarlijkse vaccinatieschema is in door CVI en WUR uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek doeltreffend gebleken om de transmissie van het IBR virus voldoende terug te dringen en samen met aanvullende maatregelen het resultaat van de landelijke aanpak te behalen: uitroeiing van IBR. De minimale eis in het kader van de landelijke aanpak van IBR is daarom één vaccinatie elk half jaar. Voor toepassing van elk diergeneesmiddel is de bijsluiter leidend. Als daar een tweede vaccinatie enkele weken later wordt aangegeven is het raadzaam die ook uit te voeren.

 Als deelnemer aan het programma IBR-vrij (route vaccinatie) wordt mij gevraagd de koppel twee maal per jaar te vaccineren, maar volgens de bijsluiter van mijn vaccin geeft de vaccinatie een jaar lang bescherming. Is één keer per jaar vaccineren niet voldoende?

Nee, dat is niet voldoende.Bij een nationale aanpak, gericht op landelijke uitroeiing van het IBR-virus, is het essentieel om de verspreiding van IBR tussen bedrijven terug te dringen. Vaccinatie wordt daarvoor ingezet. De effectiviteit van vaccinatie voor het landelijk uitroeien van IBR is alleen onderzocht bij twee keer per jaar vaccineren. Bij dat onderzoek, uitgevoerd door CVI en WUR, is het doeltreffend gebleken als er twee keer per jaar werd gevaccineerd, mits er ook aanvullende maatregelen werden getroffen, zoals het aanvoeronderzoek. De minimale eis in het kader van de landelijke aanpak van IBR is daarom elk half jaar een koppelvaccinatie.

De onderbouwing van bijsluiters waarin wordt gesproken van één keer per jaar IBR-vaccineren berust alleen op vermindering van klinische symptomen en vermindering van de hoeveelheid IBR-virusuitscheiding op een bedrijf; onderzoek naar verspreiding is daarbij niet gedaan.

Waarom mag een onverdacht bedrijf geen dieren van een ander onverdacht bedrijf aanvoeren zonder onderzoek?

Op onverdachte bedrijven zijn mogelijk nog besmette dieren aanwezig. Omdat de infectiegraad laag is (<10%) en het vrijwel altijd de oudste dieren betreft, is het waarschijnlijk dat de besmette dieren in enkele jaren tijd weg zijn. Het is niet gewenst het aantal besmette dieren weer toe te laten nemen door aanvoeren. Doordat op onverdachte bedrijven nog besmette dieren aanwezig zijn, is er van binnen uit bovendien een latente kans op een nieuwe infectie. Aanvoer van dieren van deze bedrijven is daardoor risicovoller dan aanvoer van dieren van een vrij bedrijf.

Ik heb twee melkveebedrijven zonder jongvee. Op beide locaties heb ik de onverdachtstatus. Moet ik nu elke keer als ik dieren tussen beide bedrijven uitwissel, aanvoeronderzoek doen?

Ja, dat is nodig. We begrijpen dat dit voor u een lastige situatie is. Er wordt gekeken of hier nog een oplossing voor kan worden gevonden, maar tot die tijd is het gevraagde onderzoek binnen de gestelde onderzoeksperiode gewoon nodig om uw status te behouden.

Mijn bedrijf heeft de status IBR-vrij of -onverdacht en ik heb een kalf aangevoerd waarbij IBR-antistoffen zijn aangetoond. Nu denk ik dat het om maternale antistoffen gaat. Mag ik dat dier aanhouden en nog een keer testen als ik denk dat de maternale antistoffen weg zijn?

Nee, dat mag niet. Het is belangrijk dat het dier wordt afgevoerd binnen de daarvoor geldende termijn. U kunt het dier het best direct afvoeren omdat er ook kans is dat het wel degelijk om een met IBR besmet dier gaat. Dit dier kan uw bedrijf besmetten met IBR.

U kunt dit probleem voorkomen door alleen dieren aan te voeren van IBR-vrije bedrijven of door dieren voor en na aanvoer te laten testen op IBR-antistoffen.

Ik heb een bedrijfsscreening voor IBR laten doen en heb nét meer dan 10 procent seropositieve dieren. Kan mijn bedrijf nu niet in één keer IBR-vrij worden?

Nee, dat kan niet. Het is vervelend dat u net boven de 10-procent-grens zit, maar er is een goede reden om die grens aan te houden.
Hoe meer besmette dieren er op uw bedrijf zijn gevonden, hoe groter de kans dat er één besmet rund onopgemerkt blijft bij het doen van koppelonderzoek. Dan zou uw bedrijf wel de status IBR-vrij hebben, maar niet IBR-vrij zijn. Als dat weer tot nieuwe besmettingen leidt, stagneert de landelijke IBR-bestrijding. Daarom is het nodig dat u eerst alle runderen waarbij IBR-antistoffen zijn aangetoond, afvoert en daarna opnieuw een bedrijfsscreening uitvoert.

Ik ben deelnemer aan het programma IBR-vrij (route tankmelk), heb de IBR-onverdachtstatus en wil nu de IBR-vrijstatus behalen. Ik heb twee jaar of langer alleen maar gunstige IBR-tankmelkuitslagen gehad, maar omdat ik een keer ben vergeten een aangevoerd rund van een niet-IBR-vrij bedrijf te onderzoeken op IBR, is de onverdachtstatus onderbroken geweest. Kan ik echt niet de stap naar IBR-vrij maken?

Als het betreffende rund later alsnog een gunstig onderzoekresultaat had en de tankmelkonderzoeken altijd gunstig zijn geweest, dan kunt u toch de overstap maken. Over deze mogelijkheid krijgt u niet automatisch bericht; neem dus zelf contact op met GD.