FAQ IBR

Welke partijen begeleiden de landelijke IBR-aanpak?

Een stuurgroep bereidt besluiten over de bestrijding van IBR voor. De stuurgroep bestaat uit vertegenwoordigers van:

  • Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV)
  • Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA)
  • ZuivelNL
  • LTO-melkveehouderij
  • LTO-vleesveehouderij
  • LTO-kalverhouderij
  • Nederlandse Zuivelorganisatie (NZO)
  • Stichting Brancheorganisatie Kalversector (SBK)

De stuurgroep wordt geleid door een vertegenwoordiger van LNV en adviseert de minister van LNV bij het opstellen van de overheidsregelgeving. De minister van LNV besluit uiteindelijk over de bestrijding van IBR.

Besluiten over de aanpak van IBR tot de inwerkingtreding van de overheidsregelgeving worden genomen in de Themagroep Diergezondheid Rund (DKR) die is ingericht om sectorbreed beleid op het vlak van diergezondheid inhoud te geven. DKR volgt daarbij de adviezen van de stuurgroep.

Hoe wordt de IBR-bestrijding gereguleerd?

Zuivelondernemingen aangesloten bij de NZO hebben in de leveringsvoorwaarden de bestrijding van IBR opgenomen en reguleren daarmee voor hun leden/leveranciers  de bestrijdingsaanpak.

Samen met de andere betrokken partijen geeft het ministerie van LNV invulling aan een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). De minister van LNV regelt daarmee vanaf het moment van inwerkingtreding de bestrijding van IBR voor alle bedrijven met rundvee. De door de stuurgroep vastgestelde bestrijdingsaanpak is daarvoor uitgangspunt. Naar verwachting gaat de AMvB in op 1 juli 2023.

Waarom is IBR-bestrijding nodig?

Bedrijfsgebonden dierziekten als IBR passen niet in de ambitie van een gezonde en duurzame veehouderij.

  • IBR tast het dierwelzijn aan.
  • IBR belemmert de export en handel. Nederland is omringd door veel landen met nationale programma’s om IBR-vrij te worden. Veel landen zijn al vrij. Nederland heeft een slechte concurrentiepositie voor de handel in vee ten opzichte van vrije landen.
  • IBR veroorzaakt economische schade op bedrijven.

Waarom is met de IBR-aanpak op melkveebedrijven niet gewacht op de inwerkingtreding van de regelgeving van de overheid?

Na het stimuleren van deelname was het grootste deel van de melkveebedrijven IBR-vrij of IBR-onverdacht. Om de kans op een herinfectie zo klein mogelijk te maken, is het gewenst de infectiedruk zo snel mogelijk verder te verlagen. De melkveehouderij heeft een hoger percentage besmette bedrijven dan de vleesveehouderij (15,6% respectievelijk 9,6% volgens de laatste meting in 2015). In dieraantallen is de melkveehouderij ook veruit de grootste sector. Door de aanpak in de melkveehouderij wordt de kans op herinfectie voor alle bedrijven aanzienlijk gereduceerd. Het risico op verspreiding van IBR vanuit de kalversector is erg klein: de besmettingsgraad is daar erg laag. Bovendien worden vleeskalveren binnen gehuisvest, doorgaans apart verzorgd en alleen afgevoerd naar de slacht. Tenslotte is ruim 90 procent van de geïmporteerde vleeskalveren afkomstig uit landen die vrij of bijna vrij zijn van IBR.

Hoe lang gaat de bestrijding van IBR duren?

Voor heel Nederland is een termijn van ongeveer 8 jaar vanaf de wettelijke regeling reëel. Om vrij te worden van IBR is het nodig alle dieren die ooit een infectie doorgemaakt hebben, af te voeren. Afvoeren van deze dieren is nog niet verplicht. De veehouder bepaalt dus zelf wanneer de dieren worden afgevoerd. Bedrijven die recent een infectie hebben gehad en waar geïnfecteerde dieren volgens natuurlijk verloop worden afgevoerd, hebben nog vele jaren geïnfecteerde dieren in de koppel.

Waar kan ik terecht voor het verkrijgen en onderhouden van de IBR-status?

De sectorpartijen hebben Royal GD (Gezondheidsdienst voor Dieren) gevraagd om de bedrijfsstatussen te beheren. Wie wil deelnemen aan de bestrijding kan zich daarvoor aanmelden bij GD. Op verzoek van de sectorpartijen beheert ZuivelNL de voorwaarden op grond waarvan bedrijven een status toegekend krijgen.

Kan ik van elk willekeurig  laboratorium gebruikmaken?

Nee. Het is belangrijk dat de kwaliteit van de laboratoriumuitslagen hoog is en dat verschillende laboratoria vergelijkbare uitslagen leveren. Op verzoek van de sectorpartijen laat ZuivelNL laboratoria toe. ZuivelNL baseert zich op een beoordeling door Wageningen Bioveterinary Research (WBVR, het nationaal referentielaboratorium), dat hier een protocol voor heeft ontwikkeld. Alleen uitslagen van laboratoria die zijn toegelaten door ZuivelNL kunnen worden gebruikt voor het verkrijgen en behouden van de bedrijfsstatus. Bekijk hier de lijst met toegelaten laboratoria.

Wat is de rol van de dierenartsen in de bestrijding van IBR?

Rundveehouders maken gebruik van geborgde dierenartsen. Dierenartsen beschikken over de kennis van IBR en van de mogelijkheden om IBR te bestrijden, zodat ze veehouders kunnen bijstaan om de aanpak te kiezen die het beste bij het bedrijf past. Behalve deze belangrijke rol als adviseur is het nemen van bloedmonsters en het vaccineren voorbehouden aan dierenartsen.

Hoeveel kost het om IBR-vrij te worden en die status te bewaken?

Kosten van de bestrijding van IBR zijn afhankelijk van:

  • de bedrijfsgrootte (bij eenmalige kosten en vaccineren);
  • de route naar IBR-vrij die wordt gevolgd;
  • het gekozen laboratorium.

Onderstaande bedragen geven een orde van grootte aan van de optelsom van kosten, waarbij is uitgegaan van een melkveebedrijf met 95 melkkoeien en 65 stuks jongvee.

  • De snelste route om vrij te worden is de route ‘intake bloed, bewaking tankmelk’. Kosten voor het intake gedeelte bestaan uit kosten voor monstername en diagnostiek van de te onderzoeken dieren: eenmalig 1.400 euro.  Het bedrijf heeft ook kosten voor het beheer van de status en voor het maandelijks tankmelkonderzoek. Deze kosten bedragen circa 220 euro per jaar.
  • Een minder snelle route om IBR-vrij te worden verloopt via de route ‘tankmelk’. Jaarlijkse kosten bestaan uit kosten voor het beheer van de status en tankmelkonderzoek: circa 220 euro per jaar. Als het bedrijf de stap naar IBR-vrij maakt (dit kan na 2 jaar) komen daar de kosten voor monstername en diagnostiek voor dieren ouder dan 6 jaar bij: eenmalig circa 225 euro.
  • Vaccinerende bedrijven hebben vaccinatiekosten en kosten voor registratie en beheer van de status. De orde van grootte van deze kosten is circa 2.200 euro per jaar.

Kosten voor het testen van aangevoerde dieren van een lagere status en eventuele afvoer van besmette runderen variëren per bedrijf en zijn niet opgenomen in de genoemde bedragen.

Wat kan ik doen om mijn bedrijf IBR-vrij te houden?

Een onder alle omstandigheden consequent beleid met betrekking tot de bedrijfshygiëne is het belangrijkste instrument om insleep van de IBR te voorkomen. Voorkom contact met rundvee dat niet IBR-vrij is, laat bezoekers gebruikmaken van uw bedrijfskleding en -laarzen en vraag dienstverleners die in de stal moeten zijn om gereinigde en ontsmette materialen te gebruiken.

Hoe ziet het huidige EU-beleid eruit?

De EU verplicht de bestrijding niet, maar faciliteert bestrijding van IBR in lidstaten wel, namelijk via Gedelegeerde verordening (EU) 2020/689 van de Commissie van  17 december 2019,. Deze verordening vloeit sinds 21 april 2021 voort uit de Animal Health Regulation, maar was al veel langer gereguleerd via Richtlijn 64/432/EG. De verordening beschrijft aan welke eisen een bedrijf moet voldoen om IBR vrij te worden verklaard en om IBR vrij te blijven. Landen kunnen op basis van deze verordening het programma laten goedkeuren door de Europese Commissie. De verordening beschrijft aan welke eisen een land of een regio moet voldoen om officieel IBR-vrij te worden verklaard. De verordening beschrijft daarmee ook onder welke voorwaarden bedrijven in landen met een goedgekeurd programma of een officiële vrij-status dieren kunnen importeren uit andere landen. Veel Europese landen zijn Nederland voorgegaan met de bestrijding van IBR. Een overzicht van vrij landen en regio’s en landen en regio’s met een goedgekeurd bestrijdingsprogramma is te vinden in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 van de Commissie van 15 april 2021. Lees meer

Wanneer is vaccinatie tegen IBR verplicht?

Vaccinatie op besmette bedrijven zou niet nodig zijn als alle besmette dieren worden afgevoerd. Dat zou echter een veel te zware maatregel zijn. De enige manier om vrij te worden is de bedrijven waar nog besmette dieren zijn te vaccineren tot het laatste besmette dier is afgevoerd. Hierbij kan het natuurlijk verloop worden gevolgd, maar versneld afvoeren kan wel. Het vaccineren heeft tot doel de transmissie van IBR in de koppel sterk te reduceren en samen met aanvullende maatregelen het resultaat van de landelijke aanpak te behalen: uitroeiing van IBR.

Vaccinerende bedrijven moeten elk half jaar vaccineren conform bijsluiter fabrikant. Voor sommige vaccins schrijft de bijsluiter ook een tweede vaccinatie voor bij dieren die voor het eerst worden gevaccineerd. Is het dan niet nodig om die uit te voeren?

Het voorgeschreven halfjaarlijkse vaccinatieschema is in, door CVI en WUR uitgevoerd, wetenschappelijk onderzoek doeltreffend gebleken om de transmissie van het IBR-virus voldoende terug te dringen en samen met aanvullende maatregelen het resultaat van de landelijke aanpak te behalen: uitroeiing van IBR. De minimale eis in het kader van de landelijke aanpak van IBR is daarom één vaccinatie elk half jaar. Voor toepassing van elk diergeneesmiddel is de bijsluiter leidend. Als daar een tweede vaccinatie enkele weken later wordt aangegeven is het raadzaam die ook uit te voeren.

Gaat onderzoek op IBR-antistoffen samen met IBR-vaccinatie?

Ja. De test kan de antistoffen die ontstaan na IBR-enting met een markervaccin niet ‘zien’. Daarom gaat IBR-onderzoek op antistoffen prima samen met IBR-vaccinatie.

Als deelnemer aan het programma IBR-vrij (route vaccinatie) wordt mij gevraagd de koppel twee maal per jaar te vaccineren, maar volgens de bijsluiter van mijn vaccin geeft de vaccinatie een jaar lang bescherming. Is één keer per jaar vaccineren niet voldoende?

Nee, dat is niet voldoende. Bij een nationale aanpak, gericht op landelijke uitroeiing van het IBR-virus, is het essentieel om de verspreiding van IBR tussen bedrijven terug te dringen. Vaccinatie wordt daarvoor ingezet. De effectiviteit van vaccinatie voor het landelijk uitroeien van IBR is alleen onderzocht bij twee keer per jaar vaccineren. Bij dat onderzoek, uitgevoerd door CVI en WUR, is het doeltreffend gebleken als er twee keer per jaar werd gevaccineerd, mits er ook aanvullende maatregelen werden getroffen, zoals het aanvoeronderzoek. De minimale eis in het kader van de landelijke aanpak van IBR is daarom elk half jaar een koppelvaccinatie.

De onderbouwing van bijsluiters waarin wordt gesproken van één keer per jaar IBR-vaccineren berust alleen op vermindering van klinische symptomen en vermindering van de hoeveelheid IBR-virusuitscheiding op een bedrijf; onderzoek naar verspreiding is daarbij niet gedaan.

Waarom mag een onverdacht bedrijf geen dieren van een ander onverdacht bedrijf aanvoeren zonder onderzoek?

Op onverdachte bedrijven zijn mogelijk nog besmette dieren aanwezig. Omdat de infectiegraad laag is (<10%) en het vrijwel altijd de oudste dieren betreft, is het waarschijnlijk dat de besmette dieren in enkele jaren tijd weg zijn. Het is niet gewenst het aantal besmette dieren weer toe te laten nemen door aanvoeren. Doordat op onverdachte bedrijven nog besmette dieren aanwezig zijn, is er van binnenuit bovendien een latente kans op een nieuwe infectie. Aanvoer van dieren van deze bedrijven is daardoor risicovoller dan aanvoer van dieren van een vrij bedrijf.

Ik heb twee melkveebedrijven zonder jongvee. Op beide locaties heb ik de status onverdacht. Moet ik nu elke keer als ik dieren tussen beide bedrijven uitwissel, aanvoeronderzoek doen?

Ja, dat is nodig. We begrijpen dat dit voor u een lastige situatie is. Het alternatief is dat u op beide bedrijven, kiest om IBR-vrij te certificeren. Aangezien de beide bedrijven status onverdacht hebben, zal er maar een beperkt aantal runderen IBR-antistoffen hebben. Die zullen dan moeten worden afgevoerd. Op het moment dat beide bedrijven de status vrij hebben, kunt u de runderen zonder aanvoeronderzoek uitwisselen. Uiteraard kunt u ook kiezen voor IBR-vrij (route vaccinatie). Ook dan kunt u de runderen zonder aanvoeronderzoek uitwisselen.

Mijn bedrijf heeft de status IBR-vrij of -onverdacht en ik heb een kalf aangevoerd waarbij IBR-antistoffen zijn aangetoond. Nu denk ik dat het om maternale antistoffen gaat. Mag ik dat dier aanhouden en nog een keer testen als ik denk dat de maternale antistoffen weg zijn?

Nee, dat mag niet. Het is belangrijk dat het dier wordt afgevoerd binnen de daarvoor geldende termijn. U kunt het dier het best direct afvoeren omdat er ook kans is dat het weldegelijk om een met IBR besmet dier gaat. Dit dier kan uw bedrijf besmetten met IBR.

U kunt dit probleem voorkomen door alleen dieren aan te voeren van IBR-vrije bedrijven of door dieren voor en na aanvoer te laten testen op IBR-antistoffen.

Ik heb een bedrijfsscreening voor IBR laten doen en heb nét meer dan 10 procent seropositieve dieren. Kan mijn bedrijf nu niet in één keer IBR-vrij worden?

Nee, dat kan niet. Het is vervelend dat u net boven de 10-procent-grens zit, maar er is een goede reden om die grens aan te houden.
Hoe meer besmette dieren er op uw bedrijf zijn gevonden, hoe groter de kans dat er één besmet rund onopgemerkt blijft bij het doen van koppelonderzoek. Dan zou uw bedrijf wel de status IBR-vrij hebben, maar niet IBR-vrij zijn. Als dat weer tot nieuwe besmettingen leidt, stagneert de landelijke IBR-bestrijding. Daarom is het nodig dat u eerst alle runderen waarbij IBR-antistoffen zijn aangetoond, afvoert en daarna opnieuw een bedrijfsscreening uitvoert.

Ik ben deelnemer aan het programma IBR-vrij (route tankmelk), heb de IBR-onverdachtstatus en wil nu de IBR-vrijstatus behalen. Ik heb twee jaar of langer alleen maar gunstige IBR-tankmelkuitslagen gehad, maar omdat ik een keer ben vergeten een aangevoerd rund van een niet-IBR-vrij bedrijf te onderzoeken op IBR, is de onverdachtstatus onderbroken geweest. Kan ik echt niet de stap naar IBR-vrij maken?

Als het betreffende rund later alsnog een gunstig onderzoekresultaat had en de tankmelkonderzoeken altijd gunstig zijn geweest, dan kunt u toch de overstap maken. Over deze mogelijkheid krijgt u niet automatisch bericht; neem dus zelf contact op met GD.

Waarom wordt voor individueel onderzoek op IBR geen melk gebruikt maar bloed?

Dieren met antistoffen tegen IBR zijn levenslang besmet; ze dragen het virus voor altijd latent met zich mee. Stressfactoren, bijvoorbeeld vervoer of ziekte, kunnen ervoor zorgen dat deze dieren het IBR-virus weer een aantal dagen uitscheiden. Daardoor kunnen koppelgenoten besmet raken. Om IBR-vrij te worden én te blijven is het belangrijk dat alle dieren met antistoffen worden opgespoord en afgevoerd. Met bloedonderzoek kunnen we al die dieren vinden, bij melkonderzoek kunnen we een enkel (zwakpositief) dier missen.

Wat zeggen antistoffen in de tankmelk nou precies?

Bij een ongunstige uitslag van het tankmelkonderzoek zijn er één of meer melkgevende dieren met antistoffen tegen IBR. Er is dus een infectie rondgegaan op het bedrijf of er zijn dieren aangevoerd met antistoffen. Deze dieren dragen het virus levenslang bij zich en kunnen het IBR-virus weer uitscheiden als gevolg van bepaalde stressfactoren en zo andere dieren besmetten. Bij een gunstige uitslag van het tankmelkonderzoek heeft gemiddeld minder dan 10 procent van de melkgevende dieren antistoffen tegen IBR. De meeste melkgevende dieren zijn dan dus IBR-vrij.

Bij het ontbreken van antistoffen in de tankmelk is het verstandig om de laatste besmette dieren op te sporen en af te voeren. Bij het aantonen van antistoffen in de tank zullen er vaak te veel besmette dieren zijn, waardoor opsporen en afvoeren een kostbare aangelegenheid wordt. De veestapel kan dan beschermd worden tegen nieuwe besmettingen door te vaccineren.